Nieuws
   Laatste nieuws
   Contact
   FAQ
   Archief
   Nieuwsbrief
   Onthaalbrochures
   Sitemap

ACV
   Deel van een geheel
   Geschiedenis
   Lid worden

Nieuws & militanten
   Antwerpen
   Berkendaal
   Beveren
   Brugge
   Dendermonde
   Everberg
   Gent
   Hasselt
   Hoogstraten
   Ieper
   Leuven Centraal
   Leuven Hulp
   Mechelen
   Merksplas
   Oudenaarde
   Ruiselede
   Sint-Gillis
   Tongeren
   Turnhout
   Vorst
   Wortel

Home >> Nieuws >> Lezen
De basiswet (wet Dupont) (01/02/2005 om 20u38)
6745 keer gelezen

Publicatie : 2005-02-01

12 JANUARI 2005. - Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden (1)



ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :
TITEL 1. - Algemene bepalingen
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
1° Minister : de Minister van Justitie;
2° vrijheidsstraf : opsluiting, hechtenis, gevangenisstraf, militaire gevangenisstraf, vervangende gevangenisstraf en de internering van ter beschikking van de regering gestelde recidivisten, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, gelast door de Minister van Justitie op grond van artikel 25bis van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten ;
3° vrijheidsbenemende maatregel : elke vorm van vrijheidsbeneming op andere dan de in 2°, genoemde gronden, met uitsluiting van de internering op basis van de artikelen 7 en 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten ;
4° gedetineerde : de persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of van een vrijheidsbenemende maatregel geheel of gedeeltelijk plaatsvindt in een gevangenis ;
5° veroordeelde : de gedetineerde ten aanzien van wie een veroordeling tot een vrijheidsstraf werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan ;
6° verdachte : de gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke vervolging en ten aanzien van wie geen veroordeling werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan, ongeacht of het gaat om een verdachte die nog niet naar het vonnisgerecht werd verwezen, om een beklaagde of om een beschuldigde ;
7° orde : een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis ;
8° veiligheid : de interne en externe veiligheid ;
9° interne veiligheid : een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding ;
10° externe veiligheid : een toestand waarbij de samenleving beschermd wordt door middel van de verzekerde bewaring van gedetineerden en door het voorkomen van misdrijven die zouden gepleegd kunnen worden vanuit de gevangenis ;
11° penitentiaire administratie : het openbaar bestuur belast met de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen en van vrijheidsbenemende maatregelen waarvan de bevoegde overheid de uitvoering heeft gevorderd ;
12° directeur-generaal : de leidende ambtenaar die verantwoordelijk is voor het algemeen bestuur van de penitentiaire administratie ;
13° directeur : de ambtenaar die belast is met het lokaal bestuur van een gevangenis of een afdeling ervan ;
14° inrichtingshoofd : de als dusdanig door de minister aangestelde directeur die belast is met het bestuur van één of meer gevangenissen ;
15° gevangenis : een door de Koning aangewezen inrichting bestemd voor de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een vrijheidsstraf en van vrijheidsbenemende maatregelen ;
16° strafinrichting : een door de Koning specifiek aangewezen gevangenis die bestemd is voor de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een vrijheidsstraf ;
17° afdeling : een onderdeel van een gevangenis met een bijzondere bestemming.
18° zorgverlener :
- de aan de gevangenis verbonden beoefenaar van een gezondheidsberoep, zoals bedoeld in artikel 2, 3° van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, die met een opdracht van gezondheidszorg in de gevangenis is belast;
- de aan de gevangenis verbonden psycholoog die met een opdracht van gezondheidszorg in de gevangenis is belast;
19° expert : de aan de gevangenis verbonden arts, psycholoog, maatschappelijk assistent of gediplomeerde die met een medico-psychosociale expertise in de gevangenis is belast.
Art. 3. Deze wet heeft betrekking op de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen die in kracht van gewijsde zijn gegaan en op de uitvoering van vrijheidsbenemende maatregelen.
TITEL II. - Basisbeginselen
HOOFDSTUK I. - Algemene basisbeginselen
Art. 4. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen wordt een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer gelegd door de insluiting in een gevangenis van de persoon ten aanzien waarvan deze straf of maatregel is uitgesproken.
Art. 5. § 1. De vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt ten uitvoer gelegd in psychosociale,fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken en die hem aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid.
§ 2. Bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt er zorg voor gedragen dat de orde en de veiligheid worden gevrijwaard.
Art. 6. § 1. De gedetineerde wordt aan geen andere beperkingen van zijn politieke, burgerlijke, sociale, economische of culturele rechten onderworpen dan deze die uit de strafrechtelijke veroordeling of uit de vrijheidsbenemende maatregel voortvloeien, deze die onlosmakelijk met de vrijheidsbeneming verbonden zijn en deze die door of krachtens de wet worden bepaald.
§ 2. Bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel dient vermijdbare detentieschade voorkomen te worden.
Art. 7. § 1. In elke gevangenis wordt een klimaat van overleg nagestreefd. Daartoe wordt in elke gevangenis een overlegorgaan opgericht teneinde de gedetineerden in de gelegenheid te stellen inspraak te hebben in aangelegenheden van gemeenschappelijk belang die voor hun medewerking in aanmerking komen.
§ 2. De Koning bepaalt de wijze van samenstelling en de werkwijze van de overlegorganen.
Art. 8. § 1. Alle beslissingen die in het kader van deze wet worden genomen, zijn met redenen omkleed, behalve in de gevallen waarin de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen geen motivering vereist, of in de gevallen waarin de kennisgeving van de motivering de veiligheid ernstig in gevaar zou brengen.
Indien een beslissing die krachtens het eerste lid wordt genomen niet met redenen kon worden omkleed, wordt de directeur-generaal er onmiddellijk van in kennis gesteld, alsook van de redenen waarom de motivering ontbreekt. Indien de beslissing niet beantwoordt aan de in het eerste lid bedoelde motiveringsplicht, beveelt hij dat de beslissing met redenen wordt omkleed.
De beslissingen die krachtens het eerste lid worden genomen, worden ingeschreven in een bijzonder daartoe bestemd register, volgens de door de Koning bepaalde regels. Dit register wordt uitsluitend ter beschikking gesteld van de toezicht- en klachtenorganen.
§ 2. De uitzonderingen bepaald in § 1, eerste lid, zijn niet van toepassing op de beslissingen die krachtens titel VII genomen worden.
HOOFDSTUK II
Basisbeginselen van toepassing op specifieke categorieën van gedetineerden
Afdeling I. - Veroordeelden
Art. 9. § 1. Het strafkarakter van de vrijheidsstraf bestaat uitsluitend in het geheel of gedeeltelijk verlies van de vrijheid van komen en gaan en de daarmee onlosmakelijk verbonden vrijheidsbeperkingen.
§ 2. De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt gericht op het herstel van het door het misdrijf aan de slachtoffers aangedane onrecht, op de rehabilitatie van de veroordeelde en op de geïndividualiseerde voorbereiding van zijn reïntegratie in de vrije samenleving.
§ 3. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld constructief mee te werken aan de realisering van het individueel detentieplan, bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, dat wordt opgesteld met het oog op een schadebeperkende, op herstel en op reïntegratie gerichte en veilige uitvoering van de vrijheidsstraf.
Afdeling II. - Verdachten
Art. 10. § 1. Verdachten worden geacht onschuldig te zijn zolang zij niet veroordeeld zijn door een veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 2. Bij de omgang met verdachten moet elke schijn vermeden worden dat hun vrijheidsbeneming het karakter heeft van een straf.
Art. 11. Behoudens wanneer zij met het oog op de deelname aan gemeenschappelijk georganiseerde activiteiten schriftelijk met het tegendeel instemmen, worden verdachten gescheiden van de veroordeelden gehouden.
Art. 12. De verdachten dienen de nodige faciliteiten, verenigbaar met de orde en de veiligheid, te genieten om hun recht van verdediging zo goed mogelijk te behartigen in de rechtsprocedure waarin zij betrokken zijn.
Art. 13. § 1. Bij de uitvoering van de vrijheidsbenemende maatregel wordt het regime aangepast aan de vereisten inzake de eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld.
§ 2. Behoudens de beperkingen door of krachtens de wet gesteld worden aan verdachten alle faciliteiten verleend die verenigbaar zijn met de orde en de veiligheid.
TITEL III. - Gevangenissen
HOOFDSTUK I. - Indeling en bestemming
Art. 14. De Koning deelt de gevangenissen in volgens hun bestemming. Hij kan de gevangenissen indelen volgens andere criteria dan volgens hun bestemming.
Art. 15. § 1. De Koning bepaalt de bestemming van de gevangenissen. Hij kan één of meer delen van een gevangenis aanwijzen als een afdeling met een bijzondere bestemming.
§ 2. Onverminderd andere aan gevangenissen te geven bestemmingen, wijst de Koning gevangenissen of afdelingen van gevangenissen aan die specifiek bestemd zijn voor de onderbrenging van :
1° verdachten;
2° vrouwelijke gedetineerden;
3° gedetineerden die in de gevangenis worden opgenomen samen met hun kind van minder drie jaar;
4° veroordeelden tot criminele straffen of tot een correctionele straf van ten minste vijf jaar of tot één of meerdere correctionele straffen die gezamenlijk ten minste de duur van vijf jaar bereiken;
5° gedetineerden die, gelet op hun leeftijd, hun lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand, een bijzondere opvang behoeven;
6° veroordeelden die worden toegelaten tot een bijzondere vorm van strafuitvoering.
HOOFDSTUK II. - Huishoudelijk reglement
Art. 16. § 1. In iedere gevangenis wordt door het inrichtingshoofd een huishoudelijk reglement opgesteld overeenkomstig de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen en overeenkomstig de door de minister gegeven instructies.
§ 2. De huishoudelijke reglementen worden ter goedkeuring aan de minister voorgelegd.
§ 3. Een exemplaar van het huishoudelijk reglement wordt ter beschikking gesteld van de gedetineerden.
HOOFDSTUK III. - Plaatsing, overplaatsing en onthaal
Art. 17. De gedetineerden worden geplaatst in een gevangenis of afdeling dan wel overgeplaatst naar een gevangenis of afdeling, rekening houdend met de bestemming ervan zoals bepaald in artikel 15, en voor de veroordeelden mede rekening houdend met het individuele detentieplan.
Art. 18. § 1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen wordt over de plaatsing of overplaatsing van gedetineerden beslist door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen.
§ 2. Tegen een beslissing tot plaatsing of overplaatsing die door de in § 1 bedoelde ambtenaren genomen is, kan een bezwaar worden ingediend, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III.
§ 3. De Koning stelt de nadere regels vast voor de plaatsing en de overplaatsing van gedetineerden.
Art. 19. § 1. De gedetineerde wordt bij zijn onthaal geïnformeerd over zijn rechten en plichten, over de in de gevangenis of afdeling geldende regels, over de rol van het personeel en over de aldaar bestaande of van daaruit toegankelijke mogelijkheden van medische, juridische, psychosociale, familiale hulpverlening, van morele, levensbeschouwelijke of godsdienstige ondersteuning en van maatschappelijke hulp- en dienstverlening.
§ 2. De Koning stelt de nadere regels vast om, voor zover mogelijk, de informatie bedoeld in § 1 in een voor de gedetineerde verstaanbare taal of op een begrijpelijke wijze te verstrekken.
§ 3. De Koning stelt de nadere regels vast voor het onthaal van de gedetineerde in de gevangenis of in een afdeling ervan.
HOOFDSTUK IV. - Toezicht
Afdeling I. - Algemene bepaling
Art. 20. Onverminderd de door of krachtens de wet bepaalde opdrachten of machtigingen tot inspectie, controle of toezicht door gerechtelijke, administratieve of andere overheden, wordt een onafhankelijk toezicht gehouden op de gevangenissen en op de bejegening van de gedetineerden, door de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen en door de commissies van toezicht.
Afdeling II. - Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen
Art. 21. § 1. Er wordt voor heel België een Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen opgericht, hierna de « Centrale Raad » genoemd.
§ 2. Het secretariaat van de Centrale Raad wordt waargenomen door ambtenaren, die niet afhangen van het directoraat-generaal waaronder de penitentiaire administratie ressorteert. Zij worden op voordracht van de Centrale Raad door de minister aangesteld.
§ 3. De Centrale Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op, en deelt het mee aan de minister.
Art. 22. De Centrale Raad heeft tot taak :
1° een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenissen, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;
2° aan de minister, hetzij ambtshalve, hetzij op zijn verzoek, advies te verlenen over het gevangeniswezen en de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen;
3° de werking van de commissies van toezicht te coördineren en te ondersteunen;
4° jaarlijks ten behoeve van de federale Wetgevende Kamers en van de minister, een verslag op te stellen betreffende de gevangenissen, de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften evenals de evolutie van de penitentiaire bevolking. Het verslag omvat onder meer alle adviezen die conform de bepaling onder 2° zijn uitgebracht en de jaarverslagen zoals bepaald in artikel 27, 4°.
Het verslag is publiek.
5° de overige activiteiten te verrichten die hem door of krachtens de wet worden opgedragen.
Art. 23. § 1. De Centrale Raad stelt uit zijn leden een Beroepscommissie van drie leden samen, voorgezeten door een werkend lid van de zittende magistratuur.
In geval van verhindering van een of meer leden van de Beroepscommissie wijst de voorzitter de leden van de Centrale Raad aan die hen kunnen vervangen.
§ 2. De Beroepscommissie is belast met de behandeling van de beroepschriften tegen de uitspraken van de klachtencommissies en van de beroepschriften tegen beslissingen die genomen worden naar aanleiding van bezwaarschriften tegen een plaatsing of overplaatsing, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstukken II en III.
§ 3. Een lid van de Centrale Raad neemt geen deel aan de behandeling van een beroepschrift indien hij in welke hoedanigheid ook is opgetreden in een zaak betreffende de gedetineerde.
Art. 24. § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van de taken omschreven in de artikelen 22 en 23 noodzakelijk is, hebben de leden van de Centrale Raad vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenissen en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtsancties en, met schriftelijk akkoord van de gedetineerde, alle stukken die individuele gegevens bevatten welke hem betreffen.
§ 2. Zij hebben het recht zonder controle een briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.
§ 3. De Koning bepaalt de wijze van communicatie tussen de Centrale Raad en de directeur-generaal van het directoraat-generaal waaronder de penitentiaire administratie ressorteert.
Art. 25. § 1. De Koning stelt nadere regels met betrekking tot de Centrale Raad, rekening houdend met de onafhankelijkheid ervan ten aanzien van de minister en van het directoraat-generaal waaronder de penitentiaire administratie ressorteert.
§ 2. De Centrale Raad bestaat uit tenminste zes leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangende leden. Ze worden voor een termijn van vijf jaar, eenmaal hernieuwbaar, door de Koning benoemd. Eén lid wordt aangewezen als voorzitter en één lid als ondervoorzitter.
De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die krachtens de artikelen 22 en 23 aan de Centrale Raad worden toevertrouwd.
Minstens één werkend lid van de zittende magistratuur, één geneesheer en één  advocaat zijn lid van de Centrale Raad.
§ 3. De Koning bepaalt eveneens de regels betreffende de benoeming, de vervanging en het ontslag van de leden van de Centrale Raad, de samenstelling en de aanwijzing van de leden van de Beroepscommissie, evenals de werking van de Centrale Raad en van de Beroepscommissie.
§ 4. Hij stelt de onverenigbaarheden vast met het lidmaatschap van de Centrale Raad en de Beroepscommissie, in het bijzonder om de onafhankelijkheid ten aanzien van de minister en van het directoraat-generaal waaronder de penitentiaire administratie ressorteert te vrijwaren.
§ 5. Hij bepaalt de nadere regels en het bedrag van de vergoeding van de kosten aan de leden van de Centrale Raad, alsmede van de vergoeding voor hun werkzaamheden.
Afdeling III. - Commissies van toezicht
Art. 26. § 1. De minister richt commissies van toezicht op, die elk bevoegd zijn voor één of meer gevangenissen.
§ 2. Elke Commissie van toezicht wordt bijgestaan door een secretaris, die niet behoort tot het directoraat-generaal waaronder de penitentiaire administratie ressorteert. De secretaris wordt op voordracht van de Commissie van toezicht door de minister aangesteld.
§ 3. De Commissie van toezicht stelt haar huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Centrale Raad.
Art. 27. De Commissies van toezicht hebben tot taak :
1° een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenissen waarvoor ze bevoegd zijn, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;
2° aan de minister en aan de Centrale Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek, advies en inlichtingen te geven betreffende aangelegenheden in de gevangenis die rechtstreeks of onrechtstreeks met het welzijn van de gedetineerden verband houden en voorstellen te doen die zij gepast achten;
3° te bemiddelen tussen de directeur en de gedetineerden indien hun informeel klachten ter kennis worden gebracht;
4° jaarlijks een verslag betreffende de gevangenis, de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften op te stellen;
5° de overige activiteiten te verrichten die hun bij of krachtens de wet worden opgedragen.
Art. 28. § 1. Elke Commissie van toezicht stelt uit haar leden een Klachtencommissie van drie leden samen, voorgezeten door een werkend lid van de zittende magistratuur.
In geval van verhindering van één of meer leden van de Klachtencommissie wijst de voorzitter de leden van de Commissie van toezicht aan die hen kunnen vervangen.
§ 2. De Klachtencommissie is belast met de behandeling van de klachten, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk I.
§ 3. Een lid van de Klachtencommissie neemt geen deel aan de behandeling van een klacht indien hij in welke hoedanigheid ook is opgetreden in een zaak betreffende de gedetineerde.
Art. 29. § 1. Elke Commissie van toezicht wijst onder haar leden één of meerdere maandcommissarissen aan die in die hoedanigheid minstens eenmaal per week de gevangenissen waarvoor ze bevoegd is bezoeken, inzonderheid met het oog op de uitoefening van de taken bepaald in artikel 27, 1° en 3°.
§ 2. De maandcommissarissen houden wekelijks een spreekuur behoeve van de gedetineerden.
Art. 30. § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van de taken omschreven in de artikelen 27 en 28 noodzakelijk is, hebben de leden van de commissies van toezicht vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenis en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
§ 2. Ze hebben het recht zonder controle een briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.
§ 3. De Koning bepaalt de wijze van communicatie tussen de commissies van toezicht en de inrichtingshoofden van de gevangenissen waarvoor ze bevoegd zijn.
Art. 31. § 1. De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot de commissies van toezicht, rekening houdend met de onafhankelijkheid ervan ten aanzien van de minister en van het directoraat-generaal waaronder de penitentiaire administratie ressorteert.
§ 2. Elke Commissie van toezicht bestaat uit tenminste zes leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangende leden. Ze worden voor een termijn van vier jaar, eenmaal hernieuwbaar, door de Koning benoemd, na de voorzitter van de Commissie van toezicht en de voorzitter van de Centrale Raad daarover gehoord te hebben. Eén lid wordt aangewezen als voorzitter en één lid als ondervoorzitter.
De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die krachtens de artikelen 27 en 28 aan de commissies worden toevertrouwd.
Minstens één werkend lid van de zittende magistratuur, één geneesheer en één  advocaat zijn lid van de Commissie van toezicht.
§ 3. De Koning bepaalt eveneens de regels betreffende de benoeming, de vervanging en het ontslag van de leden van de Commissie van toezicht, de samenstelling en de aanwijzing van de leden van de Klachtencommissie, evenals de werking van de Commissie van toezicht en van de Klachtencommissie.
§ 4. De Koning stelt de onverenigbaarheden met het lidmaatschap van de Commissie van toezicht en de Klachtencommissie vast om de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de leden te vrijwaren.
§ 5. De Koning bepaalt de nadere regels en het bedrag van de vergoeding van de kosten aan de leden van de Commissies van Toezicht en de Klachtencommissies, alsmede van de vergoeding voor hun werkzaamheden.
HOOFDSTUK V. - Toegang tot de gevangenis
Art. 32. De toegang tot de gevangenis wordt afhankelijk gesteld van controle- en veiligheidsmaatregelen waarvan de Koning de aard en de nadere regels bepaalt.
Art. 33. § 1. De leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Parlement van het Waalse Gewest, het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hebben toegang tot de gevangenissen door van hun hoedanigheid te doen blijken.
Om een bewoonde verblijfsruimte te betreden of om in contact te treden met bepaalde gedetineerden is een bijzondere toelating van de minister vereist.
Deze bezoekers worden vergezeld door de directeur of door het personeelslid dat hij aanwijst.
§ 2. Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen stelt de Koning, in aanvulling op deze wet, de regels vast voor de toegang tot de gevangenissen :
1° voor personen of instanties die met leden van het personeel van de gevangenis gelijk te stellen zijn op grond van hun professionele of statutaire betrokkenheid bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel;
2° voor personen of instanties die belast zijn met het toezicht of de controle op de gevangenissen of de bejegening van de gedetineerden of met het verlenen van advies daarover aan de minister;
3° voor openbare officieren of ambtenaren die zich in de gevangenis aanmelden voor de uitoefening van hun ambt of het volbrengen van hun opdrachten.
Art. 34. § 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen hebben andere personen geen toegang tot de gevangenissen dan na toelating door de minister.
§ 2. Zij worden vergezeld door de directeur of door het personeelslid dat hij aanwijst.
§ 3. Tenzij zij hiertoe een bijzondere toelating van de minister ontvingen, mogen zij noch in de bewoonde verblijfsruimtes binnentreden, noch in contact komen met de gedetineerden, noch zich in verbinding stellen met andere personeelsleden dan deze die ermee belast werden hen in de gevangenis te begeleiden.
TITEL IV. - Detentieplanning
HOOFDSTUK I
Onderzoek naar de persoon en de levenssituatie van de veroordeelde
Art. 35. § 1. Zodra de veroordeelde ingesloten en onthaald werd, wordt een aanvang gemaakt met een onderzoek naar zijn persoon en levenssituatie met het oog op het opstellen van het in artikel 38 bedoelde individueel detentieplan.
§ 2. Van het in § 1 bedoelde onderzoek kan worden afgezien wanneer dit, gelet op de korte duur van het te ondergaan gedeelte van de vrijheidsstraf, niet aangewezen is en de veroordeelde hiermee instemt of wanneer de veroordeelde geen detentieplan wenst. De instemming of de omstandigheid dat de veroordeelde geen detentieplan wenst, waarop door de veroordeelde steeds kan worden teruggekomen, wordt opgetekend in een door de Koning vast te stellen formulier.
§ 3. Indien de veroordeelde reeds een vrijheidsstraf ondergaat, mag het onderzoek beperkt blijven tot aangelegenheden die rechtstreeks van belang zijn om een reeds bestaand individueel detentieplan eventueel bij te stellen.
Art. 36. § 1. Het onderzoek naar de persoon en de levenssituatie van de veroordeelde omvat een onderzoek naar de omstandigheden waarvan de kennis noodzakelijk is :
1° om het door artikel 6, § 2, geformuleerde schadebeperkingsbeginsel te individualiseren;
2° om de in artikel 9, § 2, bedoelde doelstellingen bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te individualiseren;
3° om, zo nodig, de beslissing tot plaatsing oordeelkundig bij te stellen op grond van gegevens die worden verkregen tijdens het in de bepalingen onder 1° en 2° bedoelde onderzoek.
§ 2. De veroordeelde heeft het recht kennis te nemen van de onderzoeksresultaten.
§ 3. De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot het onderzoek naar de persoon en de levenssituatie van de veroordeelde.
Art. 37. Wanneer omstandigheden eigen aan de problematiek van de veroordeelde of aan het misdrijf waarvoor hij veroordeeld werd een bijzonder onderzoeksprogramma noodzakelijk maken, kan de veroordeelde met het oog op dit onderzoek overgeplaatst worden naar een door de Koning aan te wijzen gespecialiseerd centrum.
HOOFDSTUK II. - Individueel detentieplan
Art. 38. § 1. Op basis van het in de artikelen 35 tot 37 bedoelde onderzoek wordt, in overleg en met medewerking van de veroordeelde, een individueel detentieplan uitgewerkt.
§ 2 Het detentieplan wordt opgesteld in de strafinrichting of de afdeling waar de veroordeelde geplaatst is of waarnaar hij werd overgeplaatst bij toepassing van titel III, hoofdstuk III.
§ 3. Het individueel detentieplan bevat een schets van het detentietraject en, in voorkomend geval, van de activiteiten die op herstel gericht zijn, met name de schade die de slachtoffers opgelopen hebben. Het detentieplan bevat ook eventuele adviezen over overplaatsingen die voor de veroordeelde redelijkerwijze in het vooruitzicht kunnen worden gesteld, rekening houdend met de duur van de uitgesproken straffen, met de criteria voor de toepassing van bijzondere wijzen van tenuitvoerlegging en van vervroegde invrijheidstelling of met de datum van definitieve invrijheidstelling.
Dit plan bevat bovendien voorstellen van activiteiten waaraan de veroordeelde zal deelnemen, zoals :
1° in het kader van de strafuitvoering beschikbare of beschikbaar te stellen arbeid;
2° onderwijs- of vormingsprogramma's, opleidings- of omscholingsactiviteiten en andere activiteiten die op reïntegratie gericht zijn;
3° psychosociale begeleidingsprogramma's of medische of psychologische behandelingsprogramma's.
Het detentieplan wordt opgesteld rekening houdend met de mogelijkheden van de gedetineerde en van de penitentiaire administratie.
§ 4. Het detentieplan wordt opgenomen in een samenwerkingsprotocol dat ondertekend wordt door de veroordeelde en door de directeur.
§ 5. De Koning kan aanvullende regels stellen betreffende het individueel detentieplan.
Art. 39. Het individueel detentieplan wordt, in samenwerking met de veroordeelde, in de loop van de detentie zoveel als nodig aangevuld, nader geconcretiseerd en bijgestuurd, onder meer in functie van de evolutie van de veroordeelde en van gerechtelijke of administratieve beslissingen die zijn detentietraject beïnvloeden of kunnen beïnvloeden.
Art. 40. De Koning stelt de nadere regels vast betreffende de personen of diensten die belast zijn met het opstellen, de bijstelling en de opvolging van het individueel detentieplan.
TITEL V. - Levensvoorwaarden in de gevangenis
HOOFDSTUK I. - Materiële levensvoorwaarden
Art. 41. § 1. De gedetineerde heeft het recht de verblijfsruimte die hem toegewezen wordt naar eigen goeddunken in te richten, mits eerbiediging van hetgeen in het belang van de orde of de veiligheid door het huishoudelijk reglement wordt bepaald.
§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de verblijfsruimtes en de ruimtes voor gemeenschappelijke activiteiten moeten voldoen inzake gezondheid, brandveiligheid en hygiëne, en stelt daartoe regels vast die minstens betrekking hebben op de omvang, de verlichting, de verluchting, de sanitaire voorzieningen en het onderhoud.
Art. 42. De gedetineerde krijgt voldoende voedsel dat voldoet aan de normen van de moderne hygiëne en zo nodig aangepast is aan de vereisten van zijn gezondheidstoestand.
Art. 43. § 1. De gedetineerde heeft het recht om in de gevangenis zijn eigen kledij en schoeisel te dragen, mits deze voldoen aan de normen die door een gedwongen samenleven met anderen gesteld worden op het vlak van de hygiëne, de welvoeglijkheid, de orde of de veiligheid.
Aan gedetineerden die hun eigen kledij en schoeisel niet wensen te dragen, wordt door de gevangenis behoorlijke kledij en schoeisel ter beschikking gesteld.
§ 2. De directeur kan de gedetineerde verplichten door de gevangenis ter beschikking gestelde, behoorlijke kledij of schoeisel te dragen, wanneer de eigen kledij en het eigen schoeisel van de gedetineerde niet aan de in § 1, eerste lid, gestelde normen beantwoorden.
§ 3. De gedetineerde kan verplicht worden tijdens de arbeid of andere activiteiten aangepaste kledij en schoeisel te dragen die hem daartoe ter beschikking worden gesteld.
§ 4. In het huishoudelijk reglement worden de in de gevangenis geldende regels met betrekking tot het dragen en het onderhoud van kledij en schoeisel nader omschreven.
Art. 44. Het inrichtingshoofd draagt er zorg voor dat de gedetineerde in staat wordt gesteld zijn uiterlijk en zijn lichamelijke hygiëne dagelijks behoorlijk te verzorgen.
Art. 45. § 1. De voorwerpen die de gedetineerde bij zijn insluiting in de gevangenis bij zich draagt en de voorwerpen die hij tijdens zijn verblijf verwerft, worden overeenkomstig de regels die de Koning zal vaststellen in het belang van de orde en de veiligheid, naargelang het geval, en onverminderd andere wettelijke bepalingen, hetzij in zijn bezit gelaten, hetzij voor hem in bewaring genomen onder afgifte van een bewijs van ontvangst, hetzij op zijn verzoek uit de gevangenis verwijderd.
§ 2. De gedetineerde heeft het recht de hem toebehorende voorwerpen waarvan het bezit niet onverenigbaar is met de orde en de veiligheid in zijn verblijfsruimte onder te brengen dan wel bij zich te hebben, overeenkomstig door het huishoudelijk reglement te bepalen regels.
Art. 46. § 1. De gedetineerden hebben niet het recht in de gevangenis contant geld te bezitten.
§ 2. De gedetineerde wordt in de gelegenheid gesteld om, overeenkomstig de door de Koning vast te stellen regels, te beschikken over een individuele rekening.
§ 3. Het inrichtingshoofd en de personen die instaan voor het beheer van deze individuele rekening zijn gehouden tot een discretieplicht.
Art. 47. § 1. Tenzij het hem bij wijze van tuchtsanctie werd ontzegd, heeft een gedetineerde het recht, binnen de door het huishoudelijk reglement bepaalde perken, op eigen kosten gebruiks- en verbruiksgoederen aan te schaffen uit een aanbod dat door tussenkomst van een in elke gevangenis in te richten kantinedienst wordt verstrekt en dat zoveel mogelijk tegemoet komt aan de behoeften van de gedetineerden.
§ 2. Goederen die de orde of de veiligheid in gevaar kunnen brengen, worden uit het aanbod geweerd.
HOOFDSTUK II. - Samenlevingsvoorwaarden
Afdeling I. - Algemeen
Art. 48. § 1. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen vindt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en de vrijheidsbenemende maatregel plaats in een gemeenschapsregime of in een regime van beperkte gemeenschap, tenzij plaatsing in een individueel bijzonder beveiligingsregime noodzakelijk is.
§ 2. De Koning bepaalt het regime dat toepasselijk is voor elke gevangenis of afdeling.
Afdeling II. - Gemeenschapsregime
Art. 49. In een gemeenschapsregime verblijven de gedetineerden, behoudens wanneer zij daarvan vrijgesteld zijn of wanneer zij verplicht of gerechtigd zijn zich in hun verblijfsruimte op te houden, in gemeenschappelijke leef- en werkruimten en nemen zij gemeenschappelijk deel aan in de gevangenis georganiseerde activiteiten.
Art. 50. § 1. De directeur kan, voor de duur die hij bepaalt, de veroordeelde die een gemeenschapsregime geniet op diens verzoek vrijstellen van een verblijf in gemeenschappelijke leef- en werkruimten of van deelname aan één of meer gemeenschappelijke activiteiten, wanneer hij de ingeroepen gronden voor die vrijstelling als redelijk beschouwt.
§ 2. De gedetineerden verblijven in hun verblijfsruimte tijdens de voor de nachtrust bepaalde tijd en tijdens andere in het huishoudelijk reglement bepaalde periodes of activiteiten.
Afdeling III. - Regime van beperkte gemeenschap
Art. 51. In een regime van beperkte gemeenschap worden de gedetineerden in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan gemeenschappelijke activiteiten. Daarbuiten houden zij zich op in hun individuele verblijfsruimte.
Afdeling IV. - Bijzondere bepaling voor verdachten
Art. 52. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen wordt de verdachte te allen tijde in de gelegenheid gesteld om zich in zijn verblijfsruimte af te zonderen, onverminderd zijn recht om deel te nemen aan gemeenschappelijke activiteiten.
HOOFDSTUK III. - Contacten met de buitenwereld
Afdeling I. - Algemeen beginsel
Art. 53. De gedetineerde heeft recht op contacten met de buitenwereld binnen de beperkingen die door of krachtens de wet worden bepaald.
Afdeling II. - Briefwisseling
Art. 54. § 1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen heeft de gedetineerde het recht, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 55 tot 57, een onbeperkt aantal brieven te verzenden en te ontvangen.
§ 2. Voor zover geen andere regeling geldt, is de gedetineerde verplicht zijn brieven te verzenden en te ontvangen door tussenkomst van de directeur.
Art. 55. § 1. De brieven die aan de gedetineerde worden toegezonden kunnen, voor ze overhandigd worden, aan de controle van de directeur of van het personeelslid dat deze aanwijst, onderworpen worden.
Bij deze controle mag de brief niet gelezen worden en mag hij alleen onderzocht worden op de aanwezigheid van aan de briefwisseling vreemde voorwerpen of substanties.
Deze controle mag alleen geschieden met het oog op het handhaven van de orde of de veiligheid.
§ 2. De directeur heeft de bevoegdheid om de brieven of de bijgesloten voorwerpen en substanties niet te bezorgen aan de gedetineerde, wanneer dit volstrekt noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid.
§ 3. Indien de directeur beslist brieven of bijgesloten voorwerpen of substanties niet te bezorgen, wordt de gedetineerde daarvan schriftelijk in kennis gesteld, alsmede van de motieven die aan deze beslissing ten grondslag liggen.
§ 4. De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot de controle van de aan de gedetineerde toegezonden brieven en bijgesloten voorwerpen.
Art. 56. § 1. De brieven die de gedetineerden verzenden, worden vóór de verzending ervan niet aan de controle van de directeur onderworpen, tenzij er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat controle noodzakelijk is in het belang van de orde of de veiligheid.
In voorkomend geval zal de brief, met het oog op controle en, indien nodig, met het oog op het lezen ervan, geopend dienen te worden door de gedetineerde in aanwezigheid van de directeur.
§ 2. In geval van toepassing van § 1 heeft de directeur de bevoegdheid de voor verzending aangeboden brieven niet te verzenden, wanneer dit volstrekt noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid.
§ 3. Indien de directeur beslist de brief niet te verzenden, wordt de gedetineerde schriftelijk in kennis gesteld van de motieven die aan de basis liggen van deze beslissing.
De brief wordt aan de gedetineerde terugbezorgd, tenzij er redenen zijn om de brief ter beschikking te houden van de gerechtelijke overheden.
§ 4. De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot de controle van de uitgaande briefwisseling van de gedetineerde.
Art. 57. § 1. De brieven afkomstig van of gericht aan de volgende personen of overheden zijn niet onderworpen aan de in de artikelen 55 en 56 bepaalde controle :
1° de Koning;
2° de voorzitter van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers, het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Parlement van het Waalse Gewest, het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° de ministers en staatssecretarissen van de Federale Regering; de ministers en staatssecretarissen van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen;
4° de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie, de directeur-generaal, de adviseurs-generaal en de regionale directeurs van het directoraat-generaal waaronder de penitentiaire administratie ressorteert;
5° de directeur van de gevangenis;
6° de voorzitter en de leden van de Centrale Raad;
7° de maandcommissaris, de voorzitter en de leden van de commissies van toezicht;
8° de voorzitter van het beschermingscomitй van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is;
9° de voorzitters van het Arbitragehof;
10° de rechterlijke overheden;
11° de eerste voorzitter van de Raad van State, de auditeur-generaal bij de Raad van State, de hoofdgriffier van de Raad van State;
12° de syndicus van de gerechtsdeurwaarders en de voorzitters van de Kamer van notarissen van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is;
13° de voorzitter van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
14° de ombudsmannen van de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten.
15° de stafhouder van de Orde van advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is;
16° de voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie;
17° de directeur en de adjunct-directeur van het centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding;
18° de bij de Federale Commissie opgerichte ombudsdienst « Rechten van de patiënt »;
19° de voorzitter van het Vast Comité van toezicht op de politiediensten.
Om van deze mogelijkheid gebruik te maken, richten de gedetineerden hun brieven aan het adres waar deze personen of overheden hun ambt uitoefenen.
§ 2. De Koning kan deze lijst van personen en overheden aanvullen.
Afdeling III. - Bezoek
Art. 58. § 1. Behoudens de door de wet bepaalde uitzonderingen hebben de verdachten het recht om dagelijks bezoek te ontvangen.
§ 2. Behoudens de door de wet bepaalde uitzonderingen hebben de overige gedetineerden recht op minimum drie bezoeken per week, gespreid over drie dagen, waarvan op zijn minst een dag in het weekend en de woensdagnamiddag.
§ 3. De duur van een bezoek is minimum één uur.
§ 4. Behoudens de door de wet voorziene uitzonderingen heeft iedere gedetineerde minstens eenmaal per maand recht op ongestoord bezoek gedurende minimum twee uur, overeenkomstig de door de Koning te bepalen voorwaarden en nadere regels.
Art. 59. § 1. Bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, de voogd, de echtgenoot, de wettelijk of feitelijk samenwonende partner, de broers, zusters, ooms en tantes worden toegelaten tot het bezoek aan de gedetineerden na van hun hoedanigheid te hebben doen blijken.
De directeur kan aan deze personen het bezoek enkel voorlopig ontzeggen, wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het bezoek de handhaving van de orde of de veiligheid ernstig in gevaar kan brengen en wanneer de nadere regels voor het bezoek die bepaald zijn in artikel 60, § 3, ontoereikend zijn om dit gevaar af te wenden.
§ 2. Andere bezoekers worden toegelaten tot het bezoek na een voorafgaande toelating door de directeur.
Een toelating tot bezoek kan enkel worden geweigerd wanneer de betrokken persoon van geen gerechtvaardigd belang kan doen blijken of wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het bezoek de handhaving van de orde of de veiligheid in gevaar kan brengen.
§ 3. De voorlopige ontzegging of weigering geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.
Art. 60. § 1. In het huishoudelijk reglement wordt de regeling van het bezoek bepaald, zowel wat de tijdstippen en de lokalen betreft als wat de regels betreft met betrekking tot de wijze waarop de gedetineerden en de bezoekers zich dienen te gedragen.
§ 2. Het inrichtingshoofd draagt er zorg voor dat het bezoek kan plaatsvinden in omstandigheden die de banden met het affectief milieu in stand houden of bevorderen, inzonderheid wanneer het een bezoek door minderjarigen aan hun ouder betreft.
§ 3. De directeur kan beslissen dat de bezoeken aan een gedetineerde plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt, in de volgende gevallen :
1° wanneer er ernstige redenen bestaan dat er zich tijdens het bezoek incidenten kunnen voordoen die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen;
2° op verzoek van de bezoeker;
3° op verzoek van de gedetineerde;
4° als de bezoeker of de gedetineerde eerder de bezoekregeling niet heeft nageleefd en er redenen bestaan om aan te nemen dat deze inbreuk op de bezoekregeling zich kan herhalen.
Art. 61. § 1. De directeur kan met het oog op de handhaving van de orde en de veiligheid het aantal personen dat tegelijkertijd tot de gedetineerde wordt toegelaten, beperken.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 32 kan hij het bezoek afhankelijk stellen van de vastlegging van de beeltenis van de bezoeker, van een voorafgaand onderzoek van de door de bezoeker meegebrachte voorwerpen of substanties of van een onderzoek aan de kledij van de bezoeker op de aanwezigheid van voorwerpen of substanties die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen.
In voorkomend geval kunnen de in het eerste lid bedoelde voorwerpen, in de mate dat het bezit ervan onverenigbaar is met de gestelde regels voor het bezoek, gedurende het bezoek in bewaring genomen worden of ter beschikking gehouden worden van de gerechtelijke overheden.
Art. 62. § 1. Tijdens het bezoek wordt toezicht uitgeoefend met het oog op de handhaving van de orde of de veiligheid.
§ 2. Bezoek zonder toezicht wordt toegestaan onder de door de Koning bepaalde voorwaarden.
Art. 63. Een bezoek mag voortijdig beëindigd worden wanneer een bezoeker of de gedetineerde handelingen stelt die in strijd zijn met de voor het bezoek geldende regels van het huishoudelijk reglement.
Afdeling IV. - Gebruik van de telefoon en andere telecommunicatiemiddelen
Onderafdeling I. - Gebruik van de telefoon
Art. 64. § 1. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen heeft de gedetineerde het recht om op zijn kosten dagelijks te telefoneren met personen van buiten de gevangenis op de tijdstippen en voor een duur die bepaald wordt door het huishoudelijk reglement.
§ 2. Behoudens de wettelijk bepaalde uitzonderingen heeft elke gedetineerde, die pas van zijn vrijheid beroofd werd, het recht op één kosteloos telefoongesprek binnen de landsgrenzen, of buiten de landsgrenzen wanneer er geen diplomatieke of consulaire instantie bestaat in België.
§ 3. De directeur kan de gedetineerde het recht om te telefoneren geheel of gedeeltelijk ontzeggen wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het telefonisch gesprek de handhaving van de orde of de veiligheid kan bedreigen. De beslissing van de directeur wordt schriftelijk aan de gedetineerde meegedeeld.
De ontzegging van het recht om te telefoneren dient schriftelijk te geschieden en is met redenen omkleed.
§ 4. Onverminderd andersluidende bepalingen bepaalt de Koning met wie de gedetineerde niet mag telefoneren.
§ 5. Teneinde een controle van de telefoongesprekken van de gedetineerde mogelijk te maken om redenen van orde en veiligheid, kunnen de door de gedetineerde gevormde telefoonnummers worden geregistreerd, bewaard en geraadpleegd door de penitentiaire administratie en worden meegedeeld aan de gerechtelijke overheden in de gevallen door de wet bepaald, overeenkomstig de nadere regels en de termijnen die bij koninklijk besluit bepaald worden, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De gedetineerde wordt, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels, geïnformeerd van de mogelijkheid van registratie, bewaring en raadpleging van telefoonnummers door de penitentiaire administratie, evenals van de mogelijkheid die hij heeft om aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de uitoefening van het recht te vragen, bedoeld in artikel 13 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
§ 6. In aanvulling bij de wet stelt de Koning nadere regels vast met betrekking tot het gebruik door de gedetineerde van de telefoon en van de daarmee gelijk te stellen communicatiemiddelen.
Onderafdeling II. - Gebruik van andere telecommunicatiemiddelen
Art. 65. Elk telecommunicatiemiddel tussen de gedetineerde en de buitenwereld dat niet door of krachtens deze wet is toegestaan, is verboden.
Met het oog op vorming kan de Koning de toegang door de gedetineerden voorzien van andere telecommunicatiemiddelen dan deze die door wet worden toegestaan.
Afdeling V. - Schriftelijke en mondelinge contacten met advocaten
Art. 66. § 1. De briefwisseling tussen de gedetineerde en de advocaat van zijn keuze is niet onderworpen aan de in de artikelen 55 en 56 bedoelde controle van de directeur.
Teneinde de vrije briefwisseling te verzekeren worden de hoedanigheid en het beroepsadres van de advocaat en de identiteit van de gedetineerde op de briefomslag vermeld.
§ 2. Indien de directeur ernstige gronden heeft om aan te nemen dat de briefwisseling tussen de advocaat en de gedetineerde geen betrekking heeft op rechtshulpverlening, kan hij de ter verzending aangeboden of toegezonden brieven aan de controle onderwerpen van de Stafhouder van de Orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de gevangenis gelegen is.
Art. 67. § 1. Advocaten die van hun hoedanigheid doen blijken, mogen in de gevangenis de gedetineerden die op hen een beroep doen of waarvan zij de belangen behartigen bezoeken, tijdens de uren van de dag die, voor elke gevangenis, worden vastgelegd door de Koning, na advies van de Orde van Vlaamse balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone.
Deze regeling wordt opgenomen in het huishoudelijk reglement.
§ 2. De op grond van artikel 32 door de Koning te bepalen veiligheids- en controlemaatregelen zijn op hen toepasselijk overeenkomstig de door Hem te bepalen nadere regels.
§ 3. Tijdens het gesprek van de advocaat met de gedetineerde kan geen ander dan visueel toezicht uitgeoefend worden.
§ 4. Aan de advocaten die niet in het bezit zijn van een Europese beroepskaart of die niet in één van de Lidstaten van de Europese Unie gevestigd zijn, wordt toegang verleend op grond van een bijzondere machtiging van de minister, na advies van de procureur des Konings en van de stafhouder van de Orde der advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is.
§ 5. Indien de directeur ernstige gronden heeft om aan te nemen dat het bezoek van de advocaat de veiligheid ernstig in gevaar kan brengen, deelt hij dit onmiddellijk mee aan de stafhouder van de Orde der advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is. In afwachting van een beslissing van de stafhouder kan de directeur de advocaat voorlopig de toegang tot de gevangenis ontzeggen.
Art. 68. § 1. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen heeft de gedetineerde het recht om op zijn kosten dagelijks te telefoneren met zijn advocaat. De nadere regels hiervoor worden, voor elke gevangenis, vastgelegd door de Koning, na advies van de Orde van Vlaamse balies en de Orde des Barreaux francophones et germanophones.
De desbetreffende regeling wordt opgenomen in het huishoudelijke reglement van de gevangenis.
§ 2. De ontzegging van het recht om te telefoneren, zoals bepaald in artikel 64, § 3, is niet van toepassing op telefoongesprekken van de gedetineerde met zijn advocaat. Ze kan er echter op toepasselijk worden gemaakt na gunstig advies van de stafhouder van de Orde van advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is.
Afdeling VI. - Schriftelijke en mondelinge contacten met consulaire en diplomatieke ambtenaren
Art. 69. § 1. De gedetineerden van vreemde nationaliteit mogen, zo zij dit wensen, in verbinding treden met de consulaire en diplomatieke ambtenaren van hun land, in voorkomend geval overeenkomstig de regelingen vastgesteld in of krachtens internationale overeenkomsten en behoudens het wettelijk uitgevaardigd verbod van vrij verkeer zoals bepaald in artikel 20 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en onverminderd de uitzonderingen bepaald in internationale verdragen.
§ 2. De briefwisseling tussen de gedetineerde en de consulaire en diplomatieke ambtenaren van hun land is niet onderworpen aan de in de artikelen 55 en 56 bedoelde controle van de directeur.
Teneinde de vrije briefwisseling te verzekeren worden de hoedanigheid en het beroepsadres van de consulaire en diplomatieke ambtenaren en de identiteit van de gedetineerde op de briefomslag vermeld.
§ 3. De Koning stelt nadere regels voor het bezoek van consulaire en diplomatieke ambtenaren en betreffende de telefonische contacten tussen gedetineerden van vreemde nationaliteit en de consulaire en diplomatieke ambtenaren van hun land.
Afdeling VII. - Contacten met de media
Art. 70. § 1. Op schriftelijke contacten met de media zijn de regels betreffende de briefwisseling van toepassing.
§ 2. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen kan de directeur, mits voorafgaande machtiging door de minister, de toestemming geven aan een gedetineerde om een gesprek te voeren met een vertegenwoordiger van de media, voorzover dit verenigbaar is met de handhaving van de orde en de veiligheid, met de goede zeden, met de bescherming van de rechten en vrijheden van derden en met het respect voor de slachtoffers van misdrijven.
§ 3. De minister kan de in § 2 bedoelde toestemming afhankelijk maken van voorwaarden ter vrijwaring van de daarin vermelde belangen.
HOOFDSTUK IV. - Godsdienst en levensbeschouwing
Art. 71. § 1. De gedetineerde heeft het recht om zijn godsdienst of zijn levensbeschouwing individueel en in gemeenschap met anderen te beleven en te belijden, mits inachtneming van de rechten van anderen.
§ 2. Hij heeft recht op godsdienstige, geestelijke of morele bijstand van een daartoe bij de gevangenis aangestelde of tot de gevangenis toegelaten vertegenwoordiger van zijn godsdienst of levensbeschouwing.
Art. 72. § 1. Overeenkomstig door de Koning vast te stellen regels worden bij de gevangenissen aalmoezeniers en bedienaren van in België erkende erediensten aangesteld, alsmede morele consulenten van door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing.
§ 2. De Koning stelt tevens de regels vast voor de toelating tot de gevangenis, behoudens de gewone bezoektoelating, van niet bij de gevangenis aangestelde bedienaars van in België al dan niet erkende erediensten en morele consulenten alsook de aan deze toelating verbonden rechten en plichten.
Art. 73. § 1. De in artikel 72, § 1, bedoelde personen hebben het recht de gedetineerden die het gevraagd hebben te bezoeken in hun verblijfsruimte en met hen niet aan toezicht onderworpen briefwisseling te voeren binnen de gevangenis. Met inachtneming van de veiligheidsvoorschriften ontmoeten zij de gedetineerden die het gevraagd hebben en bij voorrang de gedetineerden die zich in afzondering bevinden ingevolge een bijzondere veiligheidsmaatregel, een bijzonder individueel beveiligingsregime of een tuchtsanctie.
§ 2. Voor het ontvangen van de gedetineerden beschikken de in artikel 72 bedoelde personen over een passende ruimte waarin ze hen in een vertrouwelijke sfeer kunnen ontmoeten.
Art. 74. § 1. De gedetineerde heeft het recht om zonder beperkingen, naar eigen keuze deel te nemen aan de uitoefening van de erediensten en aan de daarmee samenhangende gemeenschappelijke activiteiten, evenals aan de bijeenkomsten en activiteiten die georganiseerd worden door de morele consulenten.
§ 2. De gedetineerde brengt zijn intentie tot deelname aan de in § 1 bedoelde activiteiten ter kennis aan de aalmoezenier, aan de bedienaar van de eredienst of aan de morele consulent en wordt tot deze activiteiten toegelaten mits hij zich verbindt tot naleving van voorwaarden van orde, waardigheid en verdraagzaamheid die met deze activiteiten samengaan.
§ 3. De organisatie van de gemeenschappelijke activiteiten in het kader van godsdienst of de niet-confessionele levensbeschouwing kunnen het voorwerp zijn van overleg zoals bepaald in artikel 7. In voorkomend geval worden de aalmoezeniers, de bedienaars van de eredienst en de morele consulenten betrokken bij het overleg.
§ 4. In elke gevangenis wordt voorzien in een passende ruimte voor de in § 1 bedoelde gemeenschappelijke activiteiten die kaderen in het recht van de gedetineerde om zijn godsdienst of levensbeschouwing vrij te beleven en te belijden.
§ 5. De Koning bepaalt de gedragsregels van de in artikel 72 bedoelde personen.
Art. 75. De Koning stelt, in aanvulling op deze wet, nadere regels vast tot vrijwaring van het recht van de gedetineerde omschreven in artikel 71, inzonderheid de faciliteiten waarover aalmoezeniers, bedienaren van in België erkende erediensten, morele consulenten en tot de gevangenis toegelaten vertegenwoordigers van niet-erkende erediensten kunnen beschikken tot verwezenlijking van het recht van de gedetineerde op het vrij beleven en belijden van zijn godsdienst en niet-confessionele levensbeschouwing en van het daaraan verbonden recht op godsdienstige, geestelijke en morele ondersteuning.
HOOFDSTUK V. - Vormingsactiviteiten en vrijetijdsbesteding
Art. 76. § 1. De penitentiaire administratie draagt er zorg voor dat aan de gedetineerde een zo ruim mogelijke toegang wordt verleend tot het geheel van vormingsactiviteiten die ter beschikking worden gesteld met het oog op zijn persoonlijke ontplooiing, op het zinvol doorbrengen van zijn detentietijd, en op het behoud of de verbetering van vooruitzichten op een geslaagde reïntegratie in de vrije samenleving.
§ 2. Als vormingsactiviteiten in de zin van § 1 worden onder meer beschouwd : onderwijs, alfabetisering, beroepsopleiding of voortgezette beroepsopleiding, sociaal-culturele vorming en sociale vaardigheids-training, creatieve en culturele activiteiten, lichamelijke opvoeding.
§ 3. De in § 2 bedoelde vormingsactiviteiten vinden plaats gedurende de vrije tijd, buiten de overeenkomstig artikel 83, § 2 vastgestelde arbeidstijden, behalve wanneer het gaat om een gedetineerde waarvoor de tijd voor de vormingsactiviteiten met toepassing van artikel 83, § 3 met arbeidstijd kan worden gelijkgesteld.
Art. 77. § 1. De gedetineerde heeft het recht door bemiddeling van de gevangenis, voor eigen rekening, kranten, tijdschriften en andere publicaties te ontvangen waarvan de verspreiding niet wettelijk of bij rechterlijke beslissing is verboden.
§ 2. In de gevangenis wordt aan de gedetineerde de mogelijkheid gegeven een beroep te doen op bibliotheekvoorzieningen die de gedetineerden in de gelegenheid stellen, overeenkomstig de in het huishoudelijk reglement bepaalde regels, een keuze van lectuur te maken uit een voldoende groot aanbod.
§ 3. De directeur kan een gedetineerde alleen de kennisneming van bepaalde publicaties of gedeelten van publicaties ontzeggen, wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is.
In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de gedetineerde.
§ 4. De gedetineerde heeft het recht om radio- en televisieprogramma's te volgen overeenkomstig door het huishoudelijk reglement vast te stellen regels.
Wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is, kan de directeur de gedetineerden het volgen van bepaalde programma's ontzeggen. In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de gedetineerde.
Art. 78. § 1. De veroordeelde die daartoe bereid en bekwaam is, heeft het recht, conform het individueel detentieplan en naargelang van de wijze van strafuitvoering die op hem van toepassing is, binnen, buiten of vanuit de gevangenis een onvoltooide opleiding af te maken, zich om te scholen of bij te scholen, of een beroepsopleiding of voortgezette opleiding te volgen.
§ 2. Verdachten hebben het recht voor zover de duur van de detentie het mogelijk maakt en behoudens door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen, om binnen of vanuit de gevangenis, gelijkaardige activiteiten uit te oefenen.
Art. 79. § 1. De gedetineerde heeft recht op lichamelijke oefeningen en sport gedurende ten minste twee uren in de week en recht op een dagelijkse wandeling of een andere recreatieve activiteit van minstens één uur in de buitenlucht.
§ 2. Behoudens de door of krachtens deze wet bepaalde uitzonderingen heeft hij het recht aan gemeenschappelijke ontspanningsactiviteiten deel te nemen gedurende de uren die in het huishoudelijk reglement worden bepaald.
Art. 80. Buiten de arbeidstijden mag de gedetineerde, met de toestemming van de directeur, een niet-winstgevende activiteit van intellectuele of artistieke aard uitoefenen. Die toestemming wordt in principe verleend. Ze kan echter door de directeur op elk moment worden geweigerd of ingetrokken op grond van de eigen behoeften van de instelling, wanneer :
- de bedoelde activiteit gevaar oplevert voor de orde of de veiligheid;
- de activiteit wordt aangewend voor illegale doeleinden;
- de controle die vereist is om de orde of de veiligheid te waarborgen, een onredelijk grote arbeidsbelasting voor de administratie meebrengt.
HOOFDSTUK VI. - Arbeid
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 81. De gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid.
Art. 82. De penitentiaire administratie draagt er zorg voor dat arbeid beschikbaar gesteld wordt of beschikbaar gesteld kan worden die aan de gedetineerden de mogelijkheid biedt om zinvol hun detentietijd door te brengen, om na hun invrijheidstelling de geschiktheid tot een bestaansactiviteit te behouden, te bevorderen of te verwerven, om hun detentie te verzachten, om verantwoordelijkheden op te nemen, in voorkomend geval ten aanzien van hun naastbestaanden en de slachtoffers en om, zo daartoe grond bestaat, met het oog op herstel of met het oog op reïntegratie, schulden geheel of gedeeltelijk af te betalen.
Art. 83. § 1. De tewerkstelling van de gedetineerde in de gevangenis geschiedt in omstandigheden die, voor zover de aard van de detentie zich daartegen niet verzet, zoveel mogelijk overeenstemmen met die welke in de vrije samenleving identieke activiteiten kenmerken.
§ 2. De arbeidsduur en de arbeidstijden worden vastgesteld in het huishoudelijk reglement. In geen geval mag de duur van de arbeidstijd de duur overschrijden die voor overeenkomstige activiteiten in de vrije samenleving door of krachtens de wet worden bepaald.
§ 3. De Koning bepaalt, in aanvulling op de wet, onder welke voorwaarden de tijd besteed aan vormingsactiviteiten met arbeidstijd kan worden gelijkgesteld.
Art. 84. § 1. De directeur staat in voor de toewijzing van de in de gevangenis beschikbare arbeid aan de gedetineerden die om arbeid verzocht hebben. Dit verzoek wordt opgetekend in een door de Koning vastgesteld formulier.
§ 2. De toegewezen arbeid mag de waardigheid van de gedetineerde niet aantasten en mag evenmin het karakter hebben van een disciplinaire bestraffing.
§ 3. Bij de toewijzing van arbeid aan veroordeelden wordt rekening gehouden met het in titel IV, hoofdstuk II bedoelde individueel detentieplan.
Art. 85. De gedetineerde is gerechtigd, mits toelating van de directeur, andere dan in de gevangenis beschikbaar gestelde arbeid te verrichten.
De directeur kan de toelating weigeren wanneer, rekening houdend met de behoeften van de inrichting :
- de bedoelde arbeid gevaar oplevert voor de orde of de veiligheid;
- de controle die nodig is om de orde of de veiligheid te waarborgen voor de administratie een onredelijk grote arbeidsbelasting meebrengt.
De weigering van de toelating wordt met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de gedetineerde.
Afdeling II. - Inkomsten uit arbeid
Art. 86. § 1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen wordt het bedrag van de inkomsten voor de in de gevangenis beschikbaar gestelde arbeid vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 2. Gedetineerden voor wie de tijd voor vormingsactiviteiten overeenkomstig artikel 83, § 3, met arbeidstijd wordt gelijkgesteld, wegens deelname aan programma's van beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding, omscholing, of andere opleidings- en vormingsactiviteiten, ontvangen een opleidingstoelage, overeenkomstig de regels vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Die toelage is erop gericht de gedetineerden ertoe aan te zetten opleidingen te volgen, onder andere door hen in staat te stellen hun noodzakelijke uitgaven die niet langer door de inkomsten uit arbeid zouden kunnen worden gedekt deels of geheel te betalen.
§ 3. Bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden de regels vastgesteld voor de toekenning van de vergoeding aan gedetineerden die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval in de gevangenis.
HOOFDSTUK VII. - Gezondheidszorg en gezondheidsbescherming
Afdeling I. - Gezondheidszorg
Art. 87. De gezondheidszorg in de gevangenissen omvat :
1° de diensten verstrekt door de zorgverleners met het oog op het bevorderen, vaststellen, behouden, herstellen of verbeteren van de lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand van de patiënt;
2° de bijdrage van de zorgverleners tot de gezondheidspreventie en de gezondheidsbescherming van het personeel en van de gedetineerden;
3° de bijdrage van de zorgverleners tot de reïntegratie van de gedetineerde in de samenleving.
Art. 88. De gedetineerde heeft recht op een gezondheidszorg die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving en die aangepast is aan zijn specifieke noden.
Art. 89. De gedetineerde heeft in de loop van zijn detentietraject er recht op dat de gezondheidszorg die hij voor de opsluiting in de gevangenis genoot gelijkwaardig wordt voortgezet. Hij wordt zo spoedig mogelijk na zijn opname en daarna telkens hij erom verzoekt bij de aan de gevangenis verbonden arts gebracht.
Art. 90. De gedetineerde heeft recht op de diensten van zorgverleners met de vereiste kwalificaties in functie van zijn specifieke noden.
Art. 91. § 1. De gedetineerde heeft het recht het bezoek te ontvangen van een arts van zijn keuze. De vrij gekozen art

Meer over Staatsblad
> Wijziging verlofbesluit van 19 november 1987 (23/07)
> KB vierdagenweek en halftijds verschenen (26/09)
> VVP, het KB (14/09)
> 4d-week & halftijdse vervroegde uittreding voor jaar verlengd (11/02)
> KB tot toekenning specificiteitstoelage (09/02)
> MB arbeidsongevallen verschenen (21/10)
> KB vaststelling administratieve bepalingen (05/03)
> KB vaststelling administratieve bepalingen (05/03)
> KB betreffende verloven verschenen (05/02)
> Verplaatsing bij medisch controleonderzoek (27/06)
> Wet - KB - MB (04/03)
> Afwezigheden wegens ziekte (20/02)
> KB wijziging in de verlofregeling (07/02)
> KB tegemoetkoming vervoerskosten (01/02)
> Omzendbrief 567 (01/02)
> KB Hervorming niv. A buitendiensten DGUSM (12/01)
> KB betreffende rechtshulp (28/03)
> Omzendbrief : verplaatsingskosten medisch controleonderzoek (06/12)
> KB bescherming tegen tabaksrook (02/03)
> MB -kledij- FOD Justitie (14/02)
> De basiswet (wet Dupont) (01/02)
> KB verlof voorafgaand aan het pensioen (02/10)
Vorige berichten
> Persmededeling: DG kondigt moeilijke tijden aan (15/07)
> Nieuws: Informele vergadering met DG (15/07)
> Nieuws: Tot met vandaag inschrijven niv B !!! (07/07)
> Nieuws: Akkoord rond opening geïnterneerdensectie (22/06)
> Nieuws: Bezwaar tegen saldo ziektedagen (18/06)
> Nieuws: Pensioenrapport met veel slechte punten (18/06)
> Brugge: Personeel Brugge is agressie beu (14/06)
> Nieuws: Enter, gratis lid worden van de vakbond (08/06)
> Nieuws: Voorbereiding PBA te Turnhout (08/06)
> Nieuws: Generieke screening niveau B (08/06)
> Nieuws: Negatief advies voor personeelsplan (27/05)
> Nieuws: Postbakoefeningen op 6 juni (22/05)
> Nieuwsbrief: Tijdbom tikt (16/05)
> Nieuws: De moeite waard om goed over na te denken (13/05)
> Nieuws: NV Pelsmaekers in vereffening (07/05)
> Nieuws: Aanpassingen KB (01/05)
> Nieuws: Timing mutatie-promotie PBAP (29/04)
> Nieuws: Vakantiegeld 2014 (25/04)
> Nieuws: Actie op 1 april (29/03)
> Persmededeling: Weldra in ons blootje ? (25/03)
> Militant: Jimmy Verlez (St-Gillis) (24/03)
> Militant: Helmut Van Hoorne (St Gillis) (24/03)
> Militant: Filip De Sutter (St-Gillis) (24/03)
> Militant: Wim Chrispeels (St-Gillis) (24/03)
> Militant: Alain Grammens (Ruiselede) (24/03)
Diverse
Bezwaarschrift (ziektekapitaal)
Brochures FOD
De Nieuwe Tijd
Documenten
Examens
Familiaal Nieuws
Fedmail
Formulieren
Gastenboek
Groep Justitie
Index
Justitiehuizen
Links
Medex
Ontwikkelcirkels
Persmededelingen
Schoolvakanties
Selor
Voorbereiding PBA
Voorbereidingen
Weddenschalen
Zitdag Justitie

Inloggen
=> Inloggen
=> Registreren
=> Paswoord vergeten?

Vragen & Problemen - Webmasters
Hosting, Design and Programming by Hosting-Garage.Com & Voetbalkrant.Com.